Korenmolen aan de westkant van de Gouwe te Alphen, ca. 1898.
Watermolen Oom Paul te Winsum

Korenmolen “Het Fortuin”, later genaamd “de Eendragt”, te Gouwsluis (Alphen)

De mogelijk oudste Alphense korenmolen stond ten noorden van de spoorbrug aan de westelijke oever van de Gouwe en moest in 1898 worden afgebroken vanwege de verbreding van dat water en versterking van de kaden. Zo kwam er een roemloos einde aan meer dan driehonderd en zestig jaar maalaktiviteiten op die plaats.

Het bouwjaar van de eerste molen op die plaats is bekend. In 1535 vroeg molenaar Dirck Jansz namelijk vergunning aan dijkgraaf en hoogheemraden van Rijnland voor het plaatsen van een 'wintcoorenmoolen upte Goutkade bij 't verlaet aen de westzijde van den Gouwe'. De toestemming werd in de loop van augustus verleend en de molen zal kort daarop zijn gebouwd, waarna in ieder geval in 1536 op die plaats koren kon worden gemalen. Door het ontbreken van schriftelijke bronnen kan over de volgende 35 jaar niets worden gemeld.
Omstreeks 1575 wordt de molen weer vermeld. De molen stond in de onmiddelijke omgeving van de schans, die de doorvaart door de Gouwesluis onder controle hield. Tijdens het beleg van Leiden in 1573 door de Spanjaarden veranderde de bezetting van de schans nogal eens, soms werd deze bezet door de Spanjaarden en dan weer door een vendel van de prins. Om te voorkomen dat de Spanjaarden gebruik zouden maken van de molen, liet het stadsbestuur van Leiden al voor het beleg de molenstenen verwijderen en overbrengen naar hun stad. Na het ontzet van Leiden bleven de stenen daar, ondanks de herhaalde verzoeken van Neeltgen Allartsdr, weduwe van molenaar Marten Allartsz. Zij ging tegen deze handelwijze in beroep bij de Staten van Holland, die op 26 mei 1575 een wat vreemd vonnis wezen. Het stadsbestuur van Leiden werd veroordeeld tot het kosteloos terugbezorgen van de molenstenen en ijzerwerk. De molenares werd het verbod opgelegd de stenen in de molen bij Gouwsluis of enige andere molen ten plattelande te gebruiken. Zou zij dit toch doen dan zouden de stenen in beslag worden genomen en de molen, waarin ze werden gebruikt, worden afgebroken. Hoe lang dit verbod van kracht is gebleven, is niet bekend.
Neeltgen Allartsdr hertrouwde met molenaar Aert Sijmonsz, van wie zij drie kinderen kreeg. Dit huwelijk heeft niet zo lang geduurd, want in 1586 was zij weer weduwe. Op 30 juni 1598 verkocht zij de helft van de korenmolen met huis en erf voor 1.100 gulden aan Allart Maertensz, zoon uit haar eerste huwelijk, die de andere helft reeds in zijn bezit had, onder de voorwaarde dat zij haar leven lang het achterhuis van de molenaarswoning mocht blijven bewonen.
Allart Maertensz was omstreeks 1588 getrouwd met Marichen Claesdr, van wie hij zes kinderen kreeg. In 1606 overleed Allart Maertensz en zijn weduwe werd eigenares van de molen. Zij hertrouwde tussen 1606 en 1615 met Jacob Dircxsz van der Veer, die daardoor voor de helft eigenaar van de molen werd.
Op 28 november 1648 verkocht Jacob Dircxsz van der Veer aan zijn zoon Thijs de helft van de molen en de helft van een stuk grond te Alphen voor een bedrag van 3.100 gulden. Inmiddels was Marichen Claesdr overleden, want op 23 januari 1649 vond de verdeling van haar nalatenschap plaats. Haar man Jacob Dircxsz ontving de andere helft van de korenmolen met huis en erf en de overige erfgenamen, kinderen en kleinkinderen van Marichen en Jacob, kregen de korenmolen met huis, schuur en erf aan de Kerkvaart te Aarlanderveen. Op 1 juni 1651 verkocht Jacob zijn erfdeel aan zijn zoon Thijs voor een bedrag van 3.200 gulden, waardoor zoon Thijs nu eigenaar werd van de gehele molen met huis en erf.
Deze Thijs of Mathijs Jacobsz wordt in de bronnen in 1658 voor het laatst genoemd. Hij was waarschijnlijk getrouwd met Aeltje Claesdr van Leeuwen, van wie hij een zoon Dirck had. Weduwe Aeltje van Leeuwen huwde in 1665 te Alphen met Jacob Dirckze van Outshoorn, weduwnaar van Trijntje Gijsberts van Akersloot, wonende aan de Lage Zijde van Aarlanderveen. Dirck huwde in februari 1665 te Alphen met Jannetje Ariens van Tol, dochter van Adriaan Mouringhsz van Tol. Ook dit huwelijk heeft maar kort geduurd, want op 8 november 1668 verkocht Jannetje, als weduwe van Dirck Mathijsz, de korenmolen met huis en erf aan haar broer Claas Adriaansz van Tol voor 4.775 gulden.
Claas Adriaansz van Tol was gehuwd met Ermpje Willemsdr Kop. Het echtpaar kreeg vier kinderen, van wie Elisabet en Cornelis de volwassen leeftijd bereikten. Ermpje Willemsdr Kop werd op 2 februari 1699 te Alphen begraven. Twee jaar later, op 3 maart 1701, werd Claas Adriaansz van Tol ook te Alphen begraven. Hij was een vermogend man, gezien de begraafkosten van 29 gulden 17 stuivers en 12 penningen. Zijn twee kinderen waren zijn erfgenamen. Op 7 juni 1702 verkocht Elisabet, inmiddels getrouwd met Willem Jansz Maas te Oudshoorn, de door haar geërfde helft van de korenmolen met huis en erf voor 1.500 gulden aan haar broer Cornelis Claasz, die de andere helft had geërfd.
Ook Cornelis Claasz van Tol was een redelijk vermogend man. In 1716 betaalde hij namelijk, na een uitspraak van de Staten van Holland, 1.750 gulden aan Gerrit Spruijt, korenmolenaar aan de Kerkvaart te Aarlanderveen. Dit bedrag was een compensatie voor de inkomstenderving van Gerrit Spruijt, omdat de Staten besloten hadden dat "alle koekenbackers en broodbackers" en alle ingezetenen aan de Lage Zijde van Aarlanderveen, voortaan hun koren moesten laten malen op de molen van Cornelis. Cornelis huwde op 26 februari 1702 te Alphen met Grietje Gerrits Blonk uit Zwammerdam. Dit echtpaar kreeg drie kinderen, van wie er twee al snel overleden. Cornelis zelf overleed waarschijnlijk eind 1733 of begin 1734, want op 13 februari 1734 werd er een scheidingsakte opgemaakt, waarbij zijn 'minderjarige' zoon Claas Cornelisz, geboren in 1710 te Alphen en wonende te Amsterdam, de nieuwe eigenaar van de molen werd. Op 3 november 1734 verkocht Claas de molen met huis, erf en toebehoren en een stuk Gouwekade aan Jan Cornelisz Dirkswager uit Haastrecht voor 11.000 gulden.
Om dit bedrag te kunnen betalen leende Jan Cornelisz Dirkswager zowel van Leendert Huijgen Dirkswager te Bleiswijk als van Johannes Booij te Koudekerk een bedrag van 4.000 gulden, dus in totaal 8.000 gulden. Het gekochte onroerend goed werd voor deze leningen als onderpand gebruikt. Jan overleed waarschijnlijk in 1755, want in 1756 was zijn weduwe Antje van Leeuwen eigenares. Dit echtpaar had in ieder geval één dochter, Elisabeth Dirkswager, die getrouwd was met Jacobus de Blom. Na het overlijden van Antje van Leeuwen werden zij in 1758 als eigenaars van de korenmolen vermeld.
Jacobus de Blom leende in 1782 van Martinus van Alphen, wonend in Oude Wetering, 3.500 gulden, waarbij de molen als onderpand diende. Elisabeth Dirkswager overleed korte tijd daarna, waarna Jacobus de Blom hertrouwde met Elsje de Jouwer. Jacobus overleed waarschijnlijk in 1789. Op 3 juli van dat jaar verkochten Elsje de Jouwer en de andere erfgenamen 11/12 deel van de korenmolen met huis en erf aan Jan de Blom, die als mede-erfgenaam reeds 1/12 deel in bezit had, voor een bedrag van 9.334 gulden. Nog dezelfde dag sloot Jan de Blom een hypotheek van 500 gulden af. In deze akte wordt de molen voor het eerst 'Het Fortuin' genoemd. In vervolgakten kwam deze naam niet meer voor. Op 3 augustus 1808 leende hij opnieuw geld en wel 6.000 gulden van Cornelis van der Lee te Aarlanderveen, met als onderpand de korenmolen, huis, erf en gereedschappen. Op 22 juni 1812 werd voor notaris Johannes Ooijkaas te Alphen een akte opgemaakt, waarbij Jan opnieuw geld leende. Hij verklaarde een bedrag van 4.000 gulden schuldig te zijn aan vrouwe Ida Bartha Hoff, douarière van Adam Stratenus te Alphen en aan mr. Jan Hoff te Arnhem, beiden als voogden van de erfgenamen van vrouwe Margaretha van Boven, in leven douarière van Cornelis Stratenus.
Uiteindelijk verkocht Jan de Blom, toen wonende te Aarlanderveen, op 10 mei 1822 de molen met huis en erf aan Arie Dam, broodbakker te Aalsmeer. Het koopbedrag bestond uit 7.000 gulden contant en het overnemen van de hypotheekschuld van 5.000 gulden bij Cornelis van der Lee en de obligatie van 4.000 gulden, in totaal dus 16.000 gulden. Om de koopsom te kunnen betalen leenden Arie Dam en zijn vrouw Geertje Kloot op dezelfde dag 15.000 gulden van jonkvrouwe Maria Catharina Wilhelmina van der Pot, wonende te Rotterdam. Matthijs Kloot, pannenbakker te Oudshoorn en zijn vrouw Marijtje Meurs stonden borg voor deze lening.
Arie Dam, afkomstig uit het molenaarsgeslacht dat sinds 1763 de korenmolen 'De Smalle Juffer' in Oudshoorn bemaalde, overleed op 22 augustus 1849 te Alphen. Op 20 november van dat jaar werd een boedelinventaris opgemaakt bij notaris Van der Lee te Aarlanderveen, maar de boedel werd niet gescheiden. Weduwe Geertje Kloot en andere erfgenamen werden eigenaars van de molen. Volgens de kadastrale registratie werd in 1858 een stoomkorenmolen in de schuur bij de molen gebouwd. Op 29 oktober 1861 vond de boedelscheiding plaats bij notaris Van der Lee te Aarlanderveen, waarbij Geertje Kloot alleen eigenaar van de molen werd. Zij verkocht op 30 december 1862 de molen aan haar zoon Hermanus voor een bedrag van 11.700 gulden. Het goed werd omschreven als 'een wind-koren- en pelmolen, genaamd de Eendragt, met heerenhuis annex zomerhuis, knechtswoning, schuren en verdere gebouwen enz.....' De stoomkorenmolen gaf waarschijnlijk onvoldoende rendement, want in 1864 liet Hermanus deze verwijderen en werd de schuur weer bergplaats.
Vanwege de toegenomen scheepvaart moest de Gouwe verbreed worden, maar de korenmolen stond in de weg. Daarom werd in 1898 de molen met bijbehorende woonhuizen door de provincie Zuid-Holland onteigend. Op 14 augustus 1898 verscheen er een advertentie in 'de Rijnbode' waarin de openbare aanbesteding van de afbraak van de molen werd aangekondigd. De af te breken molen was volgens de advertentie een balie-windkorenmolen, oftewel een stellingmolen, waarin drie koppel maalstenen, een koppel schorsstenen en een stel pelstenen waren geplaatst. Ook de bijbehorende schuur en twee woonhuizen werden voor afbraak geveild.
Johan Vlasman, metselaar te Alphen, werd op 23 augustus de nieuwe eigenaar van de opstallen aan de Gouwe, voor een bedrag van 1.135 gulden. In oktober werd twee keer een veiling gehouden van vrijgekomen materialen. Vlasman verkocht de opbouw en het binnenwerk van de molen waarschijnlijk onderhands aan Matthijs Willem Dam, zoon van Hermanus Dam. Matthijs Willem bood het gehele binnenwerk te koop aan in een advertentie in 'De Molenaar' van 19 oktober 1898. Uiteindelijk kwam de zaak in handen van J. van Lokhorst, timmerman en molenmaker te Alphen. Deze plaatste namelijk een advertentie in 'De Molenaar' van 1 februari 1899, waarin hij de gesloopte windkorenmolen met maalstenen te koop aanbood. Waarschijnlijk werd de molen verkocht aan het bestuur van de Winsummer- en Bellingweerster Meeden om herbouwd te worden tot poldermolen. De oude poldermolen was namelijk door blikseminslag op 9 juli 1898 verwoest. Molenmaker Menne Jacobs Noordewier uit Eenrum bouwde de korenmolen in 1899 om tot watermolen. De molen, met een vlucht van ruim 23 meter, werd vernoemd naar Paul Kruger, bekend van de Boerenoorlog in Zuid-Afrika en kreeg de naam Oom Paul. In Gouwsluis was de molenromp nog zo recht als een plank, in Winsum werd deze zeer getailleerd opgebouwd. De molen werd uiteindelijk in juli 1940 gesloopt, ondanks een oekaze van de bevelhebber van Land- en Zeemacht op het afbreken van werken en gebouwen, die als monument waren aangemerkt.

Zo kwam er een roemloos einde aan meer dan driehonderd en zestig jaar maalaktiviteiten aan de Gouwe. Het malen van koren verdween echter niet uit de buurtschap Gouwsluis, want in 1898 werd enkele honderden meters noordelijker aan de Rijn door Matthijs Dam een nieuwe molen gebouwd die wij nu nog kennen als "de Eendracht".

Bronnen en literatuur:

  • SARM; Ambachtsarchief van Alphen; Rechterlijk archief Alphen en Aarlanderveen; Weeskamerarchief van Alphen; Notarieel Archief tot 1843 Alphen en Koudekerk; Notarieel Archief Aarlanderveen 1843-1895; Notarieel Archief 1896-1905 Alphen; Gemeentearchief Alphen 1811-1917; Kadastrale registratie Alphen.
  • J.W. van Zwieten, Alphen vroeger & nu, aflevering 56, in Alphens Dagblad 28 juni 1975
  • D. Kenbeek, Molenaars aan Rijn en Gouwe (2), in Molenwereld nr. 10 oktober 2003
  • Foto van de watermolen Oom Paul beschikbaar gesteld door D. Kenbeek


Reactie plaatsen




bijlage of video toevoegen





Houd mij op de hoogte van reacties op mijn inzending

Ik ga akkoord met de voorwaarden

* Verplicht invullen

Zoek direct in:

Selecteer wat u zoekt:

Of zoek in:


Molens

Terug naar

Molens

Molenviergang AarlanderveenOudshoorn aan het einde van de achttiende eeuwWillem RegtHazerswoude aan het einde van de achttiende eeuw